Somali Abessijn Nederland

Patella Luxatie, kortweg PL

Deze afwijking komt niet alleen bij honden en mensen voor maar ook bij de kat. De naam voor deze aandoening geeft niets meer of minder aan dan dat er een te grote bewegingsvrijheid van de knieschijf van onze katten mogelijk is wanneer een dier PL heeft. In ernstige gevallen is het daarbij mogelijk dat de knieschijf zelfs geheel naast het kniegewricht komt te liggen, waarna de kat hem soms zelf weer op zijn plaats krijgt door een soort strekbeweging uit te voeren, maar soms gaat ook dat niet meer. In veel gevallen is het echter toch een pijnlijke toestand voor het dier. PL komt niet alleen bij Abessijnen en Somali’s (SomAby’s dus) voor maar ook bij andere rassen en bij huiskatten.

Bij PL zijn er meerdere oorzaken mogelijk zoals erfelijke aanleg waardoor de bot-vorm bij het kniegewricht niet goed is, trauma, het veelvuldig op een verkeerde manier van bewegen van de betreffende kat (te vaak te hoog springen enz) of bijvoorbeeld een (nog) te zwakke bespiering. Dat laatste is soms het geval bij jonge dieren en een test die voor 18 maanden is afgenomen kan daardoor een lichte vorm van PL als uitslag hebben. Zo’n dier moet je niet afschrijven maar eerst opnieuw laten testen als het een jaar of twee is. In een aantal gevallen is er dan geen sprake van PL meer.
Over deze soms gecompliceerde aandoening, de oorzaken en mogelijke behandelingswijzen plaatsen we ihieronder graag een artikel aan dat we eerder in Ticked plaatsten. Het is van de hand van drs G van den Brink en we laten hem graag het een en ander uitleggen.

Functie van de Patella
Normaal beweegt de Patella ( knieschijf ) over een groeve in de condyl ( het onderste deel van het dijbeen) in de richting van het been, naar boven of naar onderen. De Patella ligt in de groeve van de condyl en beweegt dus door een soort glijbaan. Een zijwaartse beweging is in principe niet mogelijk. De knieschijf is aan de bovenzijde aan een bovenbeenspier verbonden en met een pees aan de onderzijde aan het bovenste deel van het kuitbeen. Als de spier zich samentrekt gaat het kniegewricht zich strekken en beweegt het onderbeen naar voren. Verslapt de spier zich dan kan de knie zich weer buigen. De knieschijf heeft dus een soort katrolfunctie

Patella Luxatie
Patella Luxatie is een aandoening van het kniegewricht waarbij er een abnormale beweeglijkheid optreedt van de knieschijf over het onderste deel van het dijbeen, de condyl. Meestal beweegt de knieschijf zich bij de kat en hond dan in mediale richting ( naar binnen). In tegenstelling tot bij het paard waar een Luxatie naar lateraal optreedt ( naar buiten). De functie van de knieschijf is sterk verminderden een maximale belasting is niet mogelijk. Bovendien hebben andere banden en kapsels veel meer kracht te verwerken en er kunnen hier ook ongewenste neveneffecten optreden.
Zo zie je nogal eens een kruisbandruptuur optreden als ongewenst neveneffect van een Patella Luxatie.
De stand van de poot waarbij een Patella Luxatie optreedt, is ook anders doordat de knie iets naar buiten draait bij een Luxatie naar binnen. De afzetkracht van de bewuste poot is minder en extreme bewegingen zijn pijnlijk. De kat loopt kreupel.

Gradaties
Er is geen internationale officiële standaard waarin de ernst van de situatie kan worden uitgedrukt.
Enerzijds omdat er grote verschillen tussen rassen aanwezig is en anderzijds omdat de aandoening ook bij andere dieren dan katten voorkomt.
Toch worden er meestal vier gradaties onderkend:
1. De knieschijf ligt op zijn plaats maar er is een te grote beweeglijkheid aanwezig.
2. De knieschijf ligt op zijn plaats maar is naast de groeve te brengen en schiet dan spontaan weer terug.
3. De knieschijf ligt soms op zijn plaats maar ligt ook vaak naast de groeve; men spreekt dan van een habituele Patella Luxatie.
4. De knieschijf ligt steeds naast de groeve en is er niet meer in terug te duwen; men spreekt dan van een stationaire Patella Luxatie.
Welke katten hebben het
Hoewel de aandoening bij alle rassen en kruisingen voorkomen zie je de aandoening het meest bij dieren met lange achterpoten waarbij er vaak een gestrekte stand van de knie optreedt. Ook dieren met afwijkende gedraaide dijbeenderen vertonen de aandoening vaker. Dus de lengte en/of het niet recht zijn van de dijbeenderen kunnen de aandoening in de hand werken. De diepte van de groeve is ook bepalend voor het wel of niet op kunnen treden van de Luxatie. Doordat de Patella Luxatie door een of meerdere factoren kan worden veroorzaakt is het moeilijk om door een fokprogramma de aandoening uit te bannen. Natuurlijk is het wel van belang om met dieren waar de aandoening in meer of mindere mate is vastgesteld niet te fokken. Deze dieren zouden direct gecastreerd moeten worden.

Diagnose
De diagnose is te stellen door een dierenarts die de op de hoogt is van de bouw van een kniegewricht. De Patella is met duim en wijsvinger vast te pakken en zo kan er worden nagegaan of er een abnormale beweeglijkheid aanwezig is. Mogelijk kan ook een stationaire Patella Luxatie worden vastgesteld. Met behulp van röntgenfoto’s is ook de oorzaak van de Patella Luxatie vast te stellen. Zo kunnen diepte van de groeve, de hoek van het kniegewricht en de belijning van het dijbeen zichtbaar worden gemaakt en worden gemeten. In het dierenziekenhuis te Dordrecht worden deze metingen altijd voor de operatie verricht om de operatietechnieken er op aan te kunnen passen.

Therapie
Een Patella Luxatie kan operatief worden hersteld. Het is niet altijd nodig een operatieve correctie uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan gradatie 1 en 2. Als het dier er in het dagelijks leven geen last van heeft is een operatieve correctie niet nodig. Alleen als te verwachten is dat er een verergering van de klachten op zal optreden moet dat wel gebeuren. Als er sprake is van gradatie 3 of 4 is een operatie wel gewenst om ongewenste neveneffecten ( denk bijvoorbeeld aan kruisbandrupturen) te voorkomen. Ook zal een dier met een Patella Luxatie gradatie 3 of 4 slecht kunnen lopen en is het welzijn van het dier gestoord.

Operatietechnieken
In de loop der jaren zijn er allerlei operatietechnieken gebruikt afhankelijk van de graad van afwijking, gewicht van het dier, leeftijd van het dier en ernst van de verschijnselen. Bij honden worden er ook vele operatiemethoden gebruikt die niet allen geschikt zijn voor de kat omdat er bij de kat veel meer explosieve krachten op de kapsels en banden werken. De kat is meer een dier wat plotseling springt en sprint. Ook een doelgericht herstelprogramma als bij de hond na een operatie is veel moeilijker omdat een wandeling met een poes van een km tot meer niet mogelijk is. Vroeger werd wel het inkorten van kapselbanden als een methode aangegeven waarna de Patella wat strakker op de groeve komt te liggen.
Het uitdiepen van de groeve wordt nog steeds algemeen toegepast, zodanig dat eerst een stukje kraakbeen wordt verwijderd en daarna de groeve wordt verbreed en dieper wordt gemaakt. Daarna wordt het kraakbeen weer in de groeve gelegd. Zo blijft de Patella over een gladde oppervlakte glijden. Belangrijk is dat de staand van de Patella ten opzichte van het onderbeen goed is. Meestal is deze afwijkend waardoor er een Luxatie optreedt of dreigt op te treden. Door de bovenste voorzijde van het kuitbeen waaraan de pees van de Patella is bevestigd los te maken en te verplaatsen naar de buitenzijde wordt bij een Patella Luxatie naar binnen voorkomen dat de Patella kan luxeren. Het verplaatsen van het bovengenoemde deel van het kuitbeen kan op vele manieren gebeuren en hangt af van de ervaring van de chirurg en de ernst van de aandoening. Het voert te ver deze technieken hier allen te bespreken.

Nazorg
In het algemeen is het niet nodig om zoals bij de hond de poot in het gips of verband te zetten. Toch proberen we in het Dierenziekenhuis te Dordrecht de geopereerde dieren zoveel mogelijk te verbinden en voor de operatie al te wennen aan kragen om het beschadigen van de wond door likken te voorkomen. Ook kunnen de dieren worden opgenomen voor intensieve verzorging als de eigenaar daar geen kans toe ziet. Paraveterinairen, verbonden aan het dierenziekenhuis, kunnen als nazorg ook fysiotherapie toepassen. Meestal is het dier na een tot twee weken weer aardig mobiel. Wel is het van belang je te bedenken dat een totale botgenezing zes tot acht weken duurt. Na drie tot vier maanden is het dier, mits er geen complicaties zijn opgetreden, weer geheel hersteld.

Over de Auteur
drs G. van den Brink is praktiserend dierenarts bij het Dierenziekenhuis Drechtstreek te Dordrecht. Op het internet vindt u over dit Dierenziekenhuis meer informatie op het adres: www.dapdrechtstreek.nl