PATELLALUXATIE BIJ DE KAT |
Dr. H.A.W. Hazewinkel,
specialist chirurgie der gezelschapsdieren,
hoofd afdeling orthopedie van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren,
Faculteit der diergeneeskunde, Universiteit Utrecht
|
|
Het normale gebruik van de poot Wanneer een kat de achterbenen belast zijn de knieen
en hakgewrichten iets gebogen. Om het kniegewricht op deze, iets gebogen,
wijze te kunnen belasten, moet de grote spiergroep die voorop het bovenbeen
zit, worden aangespannen. Deze spier zit bovenaan vast op het bovenbeen
en onderaan op het scheenbeen, net iets onder de knie, door middel van
een pees. Deze pees kennen we als de "kniepees". Omdat deze
pees naar zijn aanhechting toe de buiging van de knie moet volgen, zou
de pees over bot moeten glijden en aan slijtage onderhevig zijn. Om dit
te voorkomen heeft zich in deze pees een botje ontwikkeld: de knieschijf.
Bij de kat is dit niet een schijf zoals bij de mens, maar heeft het botje
meer de vorm van een halve koffieboon. Het aangrijpingspunt van de kniepees
op het scheenbeen ligt recht onder een groeve in het bovenbeen. De knieschijf,
ook wel "patella" genoemd, beweegt op en neer in deze groeve
wanneer de knie gestrekt en gebogen wordt. De patella wordt in de groeve
gehouden (1) doordat de patella door zijn vorm precies in deze groeve
past, (2) door de spierspanning in de bovenbeen-spiergroep en (3) door
twee bandjes die in het gewrichtskapsel ingebed liggen en van de patella
recht naar achteren lopen (Fig. 1). |
Wanneer een dier loopt wordt, voordat de poot belast wordt,
de voet naar voeren gebracht en het been naar voren gestrekt. Dan wordt de poot
belast, de knie iets gebogen en vervolgens wordt de poot naar achteren gebracht.
In deze gebogen stand van de knie werkt de patella als een soort katrol waarbij
de kniepees voor de knie langs naar het scheenbeen wordt geleid: bij aantrekken
van de bovenbeenspier kan de knie dan in gebogen stand belast worden.
Als de kat springt, bijvoorbeeld van de grond op het aanrecht, worden beide
achterpoten plotseling en gelijktijdig gestrekt en worden ook de hals en rug
gestrekt en de kop omhoog gebracht. Door het plotseling strekken van de knieën
(en de andere gewrichten van de achterpoot) stuwt de kat zich naar voren en
springt.
Luxatie betekent letterlijk 'ontwrichting'. We spreken van een luxatie wanneer een gewricht 'uit de kom' is. Wanneer de knieschijf niet meer op zijn normale plaats in de groeve van het bovenbeen ligt maar aan de binnen- of buitenzijde ernaast, spreken we van een patellaluxatie.
![]() |
1 groeve voor de patella 2 kniepees 3 verkeerd aangelegde kniespeesaanhechting |
Wanneer het aangrijpingspunt van de kniepees op het scheenbeen
niet recht onder de groeve in het bovenbeen ligt, dan loopt de kniepees, met
daarin de patella, links of rechts naast de groeve (Fig. 2). Wanneer het dier
nog heel jong is ligt de patella meestal nog wel in de groeve maar kan er, door
deze verkeerde aanleg van het aangrijpingspunt, langzamerhand af en toe uit
worden getrokken. Naarmate dit vaker gebeurt, zal de rand van de groeve afkalven
waardoor de groeve ondieper wordt en de patella steeds makkelijker en vaker
luxeert en eventueel zelfs permanent geluxeerd kan raken. Het gewrichtskapsel
en de bandjes zullen uitrekken. Ook zijn er dieren die op heel jonge leeftijd
al een patellaluxatie hebben en dan zal de groeve in het bovenbeen zich niet
ontwikkelen: het bovenbeen heeft dan een knotsvormig uiteinde zonder groeve.
De bovenbeenspieren zullen zich dan niet als strekkers van de knie, maar als
buigers ontwikkelen: het been wordt permanent gebogen gehouden met een duidelijke
streng (de kniepees) naast de groeve naar het scheenbeen toe.
Wanneer de patella geluxeerd is kan deze aan de binnenzijde of de buitenzijde
van de groeve liggen. Zoals uit het bovenstaande blijkt kan het voorkomen dat
de patella maar zo nu en dan luxeert, vaak luxeert, of permanent geluxeerd is.
In sommige gevallen is het mogelijk met de hand de patella uit de groeve te
duwen (iets wat normaal gesproken niet mag kunnen). In andere gevallen kan de
patella geluxeerd zijn en zelfs niet meer met de hand in de groeve worden teruggebracht.
De verschillende vormen van patellaluxatie zijn weergegeven in tabel I.
| Richting: | luxatie naar mediaal | verplaatsing naar binnen toe |
| luxatie naar lateraal | verplaatsing naar buiten toe | |
| Mate: | luxabel | te verplaatsen (naar buiten en/of naar binnen toe) |
| habituele luxatie | af en toe verplaatst | |
| stationaire luxatie | permanent verplaatst | |
| reponeerbaar | terug te brengen in de groeve | |
| niet-reponeerbaar | permanent verplaatst, niet terug te brengen in de groeve |
Het is mogelijk dat je tijdens het lopen van een dier met patellaluxatie geen afwijkingen opmerkt. Soms valt op dat de kat niet meer wil of kan springen. In ernstiger gevallen kan het voorkomen dat het dier af en toe de poot niet belast en 'hinkelt', dus met de betreffende achterpoot één of meerdere stapjes overslaat. In nog ernstiger gevallen wordt de poot permanent ontlast of zelfs permanent gebogen gehouden. Deze aandoening kan éénzijdig voorkomen of beiderzijds. Het zal duidelijk zijn dat een dier met een beiderzijdse patellaluxatie meer gehandicapt is dan een dier met een éénzijdige patellaluxatie, zeker als het een ernstige vorm betreft.
Door het uitgerekte gewrichtskapsel met bandjes in te korten,
kan de luxatie tijdelijk verholpen worden.
Door het aangrijpingspunt van de kniepees recht onder de groeve in het bovenbeen
aan te brengen (te "transplanteren"), wordt zoveel mogelijk een normale
situatie gecreëerd. In gevallen waarbij de groeve ondiep is (geworden),
moet deze tijdens de operatie worden uitgediept.
Bij zeer jonge dieren, die nog veel moeten groeien, wordt een andere operatie
toegepast waarbij met behulp van verankerde draden de peesaanhechting recht
onder de groeve wordt gebracht zodat de groei niet wordt belemmerd en de bovenbeenontwikkeling
en spierontwikkeling geoptimaliseerd worden. Deze operatie moet soms op latere
leeftijd toch nog gevolgd worden door de eerder beschreven transplantatietechniek.
Bij bepaalde honden- en kattenrassen komt een patellaluxatie
veel vaker voor dan bij andere rassen. Bij bepaalde hondenrassen, waar de patellaluxatie
als probleem al veel langer bekend is, is een erfelijke factor aangetoond. Door
de wijze van vóórkomen bij de kat is ook hier erfelijkheid als
oorzaak zeer aannemelijk.
De wijze van aanpak van dit probleem bij de kat hangt af van verschillende factoren
zoals (1) de frequentie van vóórkomen binnen één
ras, (2) de mate van patellaluxatie (zie tabel I), (3) de grootte van de totale
populatie en de aanwezigheid van eventueel andere erfelijke afwijkingen waarmee
in de fokkerij rekening gehouden wordt (of moet worden).
Met hulp van een veterinair-geneticus die verstand heeft van
deze aandoening, kan een onderzoeksplan ontworpen worden, bijvoorbeeld door
(1) een voldoende grote willekeurige (= aselecte) groep dieren te onderzoeken
om de incidentie (mate van voorkomen) en het type (de typen) patellaluxatie
vast te stellen,
(2) de gevonden resultaten in te voeren in een genetische analyse ("stamboom")
van het ras om hierdoor te weten te komen of de afwijking vererft en hoe (dominant,
recessief etc.) deze vererft,
(3) op grond van deze resultaten een screeningsprogramma op te zetten (bv. alle
ouderdieren onderzoeken of alle nakomelingen onderzoeken om de fokwaarde van
de ouders te beoordelen etc.)
Het lukraak onderzoeken van dieren zonder dat dit gebaseerd is op een goed uitgevoerd
voor-onderzoek zal nooit de gewenste resultaten (het terugdringen van de incidentie
of ernst van de aandoening) kunnen opleveren. Het vereist dus overeenstemming
binnen een vereniging, bindende afspraken met de leden en de fokkers en een
budget om dit onderzoek uit te voeren.
Alleen bij de permanente (stationaire) patellaluxatie zou een röntgenfoto van de achterbenen behulpzaam kunnen zijn voor het stellen van de diagnose op een manier zoals bij de hond heupdysplasie of elleboogdysplasie wordt onderzocht (Fig. 3). Voor alle andere vormen (habitueel, luxabel, reponeerbaar) moet het dier zelf onderzocht worden. Dit onderzoek vereist deskundigheid die veelal bij dierenartsen voor gezelschapsdieren aanwezig is. Om alle dieren op uniforme wijze een beoordeling te kunnen geven zoals bij een inventariserend onderzoek vereist is, verdient het aanbeveling een kleine groep onderzoekers daarvoor uit te nodigen. Voor een dergelijk onderzoek bij honden heeft een groep van 11 dierenartsen (allen door de beroepsgroep officieel erkende specialisten in de orthopedie van gezelschapsdieren) de bevindingen en beoordelingsnormen op elkaar afgestemd en zij verrichten het landelijk patellaluxatie-onderzoek bij de hond.
![]() |
Röntgenfoto van bekken en kniegewrichten van een 8 maanden oude kat. Links (rechts op de foto) is een permanente patella luxatie naar mediaal aanwezig. Rechts (links op de foto) is een positie van de patella normaal. (Röntgenfoto Vakgroep Radiologie, Faculteit der Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht) |
Patellaluxatie komt in allerlei gradaties voor en de ernstiger vormen zijn invaliderend voor de betreffende kat. Patellaluxatie binnen een ras is hoogstwaarschijnlijk erfelijk en dus door goede maatregelen te voorkomen. Mensen die aan een bepaald ras verknocht zijn zullen omwille van de kwaliteit van leven van de dieren van dat ras bereid zijn dergelijke maatregelen te nemen. Bovendien hebben toekomstige eigenaren, kopers recht op een dier zonder erfelijke afwijkingen en kunnen ze morele en juridische druk uitoefenen op de fokker om de schade (aankoopkosten, operatiekosten en eventeel bijkomende kosten) te vergoeden. Een goed begeleid fokprogramma, gebaseerd op een goed uitgevoerd inventariserend onderzoek en een deskundig fokadvies, kan veel dieren- en mensenleed voorkomen. De kattenverenigingen dienen hiertoe zelf het initiatief te nemen.
Prof. Drs FJ Meutstege
Dierenkliniek Emmeloord
Esperlaan 77
8302 DC Emmeloord
tel: 0527-613500
Drs Y Krooshof
Dierenkliniek Kerkelanden
Kerkelandenlaan 1
6191 RN Hilversum
tel: 036-6214147/ 6210187
Drs MA van Gestel
Dierenziekenhuis Limburg
Aldenhof 11
6191 GP Neerbeek
tel: 046-4376700
Drs H van Herpen
Veterinair Specialisten Centrum
Boxtelsebaan 6
5061 VD Oisterwijk
tel: 013-5285900
Drs KL How
Diergeneeskundig Specialistencentrum
Rgentesselaan 190
2562 EH Den Haag
tel: 070-3602424
RHAW Hazewinkel & Drs Meij
Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren
Yalelaa 8
3508 TD Utrecht
tel: 030-2539411
Drs Th RF Ottenschot
Wilhelminapark 47
3581 NL Utrecht
tel: 030-2513510
Drs MHT Govers
Dierenkliniek de Wagenrenk
Keijerbergseweg 18
6705 BN Wageningen
tel: 0317-419120
Drs K Crama
Kliniek voor Specialisten Diergeneeskunde
Barbarakruid 3
3068 SB Rotterdam
tel: 010-4200002/4200036
Drs R Maschalkerweer & Drs D van Zuilen
Rietwijkerstraat 27
1059 VV Amsterdam
tel: 020-6175200